Accepteer cookies om deze inhoud in te laden.

Vier teams van getalenteerde ontwerpstudenten uit het hele land bogen zich in de afgelopen weken over een mogelijke toekomst van de Wereldtentoonstelling in Rotterdam in 2025. Een groep bedrijven en andere partijen heeft namelijk het initiatief genomen om de Wereldtentoonstelling in 2025 in Rotterdam te organiseren. Op welke manier kan dat interessant zijn voor Rotterdam en Rotterdammers? Hoe kan het model van de Expo worden geactualiseerd voor de 21ste eeuw? Wat voor retoriek moet mogelijk achterwege gelaten worden, en wat voor waarde kan een Expo dan opleveren?

Op 7 mei, 28 mei en 11 juni 2015 vond de driedaagse workshop ‘De toekomst van het Expo model’ plaats in het Nieuwe Instituut in Rotterdam. Deze workshop was onderdeel van de expositie ‘Wat is Nederland’, waarin de curator Stephan Petermann, werkzaam bij het AMO, de onderzoekscomponent van het architectenbureau OMA. Hij schetst daarin een overzicht van de veertien Nederlandse bijdragen aan de Wereldtentoonstellingen sinds 1910. De deelnemende studenten ontwikkelden tijdens de workshop een concept voor een ‘paviljoen’ of andere vorm van presentatie als deel van een Expo in Rotterdam in 2025.

Tijdens de eerste workshopdag kregen de studenten een lezing van Bart Schrijnen, werkzaam bij Rotterdam2025. Hij introduceerde het thema van de wereldtentoonstelling in 2025 Changing Current/ Deltas in Transition, waarbij gestreefd wordt naar een circulaire, duurzame economie. Hij stelde dat internationale bedrijven, overheden en locale partijen aangemoedigd moeten worden om in de jaren voor 2025 duurzame en langlopende projecten op te zetten. Volgens Schrijnen kan de wereldtentoonstelling daarbij als accelerator fungeren, maar ook als een deadline waarvoor de meeste projecten tot stand moeten komen.

De architect en tevens mede-initiatiefnemer van Rotterdam2025 Erick van Egeraat voegde daar tijdens de afsluitende bijeenkomst op 11 juni aan toe dat Rotterdam zich in het verleden teveel op één economie richtte, namelijk de haven. Voor de levensvatbaarheid van de stad zou Rotterdam zich volgens Erick van Egeraat op verschillende economieën moeten richten, in de context van een gedeelde, circulaire economie. Maar voor zo’n transitie is talent nodig. Van Egeraat ziet de Wereldtentoonstelling als hét medium om dit talent bij elkaar te brengen.
 De cultuurhistoricus Paul Greenhalgh, schrijver van het standaardwerk Fair World, plaatste de Wereldtentoonstelling in een breder perspectief door op 11 juni een overzicht te geven van de geschiedenis van de wereldtentoonstelling in zijn lezing ‘The history of the future, expo 1970-2020’. Hij onderscheidde vier periodes in de ontwikkeling van de wereldtentoonstelling, waarbij de eerste periode (1851-1871) gekenmerkt werd door de totstandkoming van grootschalige, iconische gebouwen. De periode die daarop
volgde 
(1876-1915) typeerde hij als ‘de gouden eeuw’ van de wereldtentoonstelling; in dit tijdspan werden de meeste expo’s georganiseerd en kregen ze veel internationale aandacht. Tussen ’15 en ’70 ligt de focus op Voortuitgangsverhalen en verbeeldingen van van de toekomst. In de laatste dertig jaar van de twintigste eeuw is er volgens Greenhalgh sprake van een dieptepunt in de geschiedenis van de wereldtentoonstelling. Shanghai 2010, ziet hij als energieke wedergeboorte van het fenomeen van de Expo. Greenhalgh stelde dat de Wereldtentoonstelling hét product is van de moderne tijd. Het staat voor vooruitgang en innovatie. Hij beargumenteerde dat voor Rotterdam2025 gestreefd zou moeten worden naar een nieuwe vorm van moderniteit, een humane vorm van vooruitgang, waarbij er meer aandacht uit moet gaan naar onderwerpen zoals vrede, tolerantie, milieu, duurzaamheid, kunst en diversiteit.

De concepten van de studenten pasten goed in deze sociale wereldtentoonstelling, die Paul Greenhalgh zo levendig voor zich zag. Verspreid over drie workshopdagen ontfermden de studenten zich in kleine groepen over hun ontwerp voor Rotterdam2025, waarbij zij aangestuurd werden door Michiel van Iersel, urbanist, curator en oprichter van Non-Fiction en Failed Architecture, en Klaas Kuitenbrouwer, werkzaam bij het Nieuwe Instituut. De voorstellen van de verschillende groepen hadden met elkaar gemeen dat ze burgers wilden betrekken bij de Wereldtentoonstelling. In tegenstelling tot de groot-industriële parade van de twintigste eeuw, zou de wereldtentoonstelling van de 21ste eeuw veel meer een cultureel festijn moeten zijn, die mensen bij elkaar brengt om van elkaar te leren.

De eerste groep, bestaande uit Berend Raaphorst van de TU Delft, Jos Volkers van de Frank Mohr Institute en Marie-Annabella Randel van de Gerrit Rietveld Academie, afdeling DesignLAB, stelde dat er teveel competitie bestond tussen de deelnemende landen aan de Wereldtentoonstelling. Volgens hen moet er minder nadruk liggen op landsgrenzen, wanneer men een duurzame economie wilt creëren. Een duurzame samenleving komt volgens hen tot stand door middel van educatie. Zij ontwierpen een drijvende school, een kennisplatform, dat havensteden van over de hele wereld kan aandoen in de aanloop van de Expo in 2025. Met deze drijvende school wordt kennis verspreid, maar ook ontwikkeld. Tegelijk dient het als promotor voor de Wereldtentoonstelling.

De studenten van groep twee, Guillemette Legrand en Eva Jaeger van de Design Academy in Eindhoven, stelden vast dat er een disconnectie bestaat tussen wat de Wereldtentoonstelling promoot in haar mediacampagne, en dat wat een Expo eigenlijk is. Zij definieerden dit verschil tussen de taal van de Wereldtentoonstelling en de pragmatische werkelijkheid als de ‘Limbo Space’. Volgens hen zit de Wereldtentoonstelling vast in een taalprobleem. De Expo gebruikt alleen mooie, meestal nogal generieke woorden, die nauwelijks meer iets betekenen, en die geen ruimte laten voor voor wat voor soorten imperfectie dan ook. Bart Schijnen sloot zich hierbij aan: ‘the whole project is a language problem’. Legrand en Jaeger stelden een nieuwe mediacampagne voor die andere soorten verwachtingen zou kunnen wekken. Ze kwamen met een enkele concrete voorbeelden. Het woord ‘succes’ zou vervangen moeten worden door ‘human relativism’ en ‘innovation’ door ‘slow mutation’. Tijdens de discussie op 11 juni bracht Stephan Petermann een soortgelijk argument naar voren. Om burgers te inspireren tot duurzaam handelen, moet de Wereldtentoonstelling de taal spreken van nieuwe generaties.

De derde groep bestond uit Raphael Coutin and Govert Flint, beide van de Design Academy Eindhoven en Marthe van Gils van de TU Delft. Met hun voorstel voor Rotterdam2025 wilden ze het globale netwerk verbinden met de locale gemeenschap. Een paviljoen moet niet het alleen het visitekaartje van een bedrijf of een natie zijn, maar zou veel meer kunnen aansluiten bij de behoeften van de locale gemeenschap. Zij stelden een slim ‘matchmaking’ programma voor, waarbij expertise en de behoefte aan representatie van naties en bedrijven van over de hele wereld, gekoppeld wordt aan locale behoeften.

Het voorstel van de laatste groep bestaande uit Zeno Franchini van de Design Academy Eindhoven, Liset Geerlings van de HKU, afdeling Design/Mode en Aleksei Kanin van de Academie van Bouwkunst Amsterdam kwam voort uit hun constateringen over landen en bevolkingsgroepen die niet aanwezig waren bij voorgaande Wereldtentoonstellingen. Zij zagen dat vertegenwoordigingen van naties en bevolkingsgroepen die niet deelnamen in eerdere Expo’s zich vaak wel bevonden in het multiculturele Rotterdam. Zij stelden een Wereldtentoonstelling voor waarbij het locale netwerk als uitgangspunt genomen werd. Met behulp van een ‘open call’ zouden locale gemeenschappen kunnen deelnemen aan Rotterdam2025, al dan niet gesteund door hun natie of bevolkingsgroep van afkomst. De wereldtentoonstelling zou hierbij dienst doen als een raamwerk, dat de uitwisseling van ideeën en het gesprek tussen verschillende culturen mogelijk maakt.

Alle betrokken personen bij de workshop stelden vast dat de traditionele wereldtentoonstelling dood is, en dat er gezocht moet worden naar een nieuw model, waarbij het sociale en het duurzame aspect voorop staat. Dat is de uitdaging die nu vorm aanneemt. Kan Rotterdam2025 een Wereldtentoonstelling zijn die grote culturele en economische vragen een interessant podium biedt, maar die ook voor de stad als geheel interessant is en van blijvende waarde kan zijn?